Algemene tips

  • Grote kans dat jij ook thuis werkt. Heb je de ruimte? Maak een aparte werk- en speelplek. Dit geeft rust en ruimte.
  • Vraag niet teveel van jezelf. Je bent de ouder en niet de juf of de meester.
  • Geef af en toe een complimentje. Zoals “Wat heb jij mooi getekend!”, “Wat ben je lekker bezig!”
  • Maak een pot met briefjes met leuke dingen die je kind mag/kan doen. Klik hier voor ideeën. Bijvoorbeeld met mama’s lippenstift kusjes op papier geven, bellen blazen, Verveelt je kind zich? Laat het dan een briefje uit de pot trekken.
  • Weekend is weekend! Op maandag begint weer ‘schooltijd’.

Dagplanning en ritme

  • Kinderen werken op school meestal met een vast ritme. Het ene kind heeft dit meer nodig dan het andere kind. Als ouder weet je zelf het beste wat voor jouw kind belangrijk is.
  • Het helpt om te werken in blokken van tijd.
  • Ga op internet op zoek naar een dagschema of maak zelf met je kind een schema. Hang dit schema op ooghoogte van het kind. Maak met een knijper duidelijk wat jullie op dat moment gaan doen.
  • Maak afspraken over hoe je omgaan met ’niet storen’. Maak bijvoorbeeld een stoplicht met elkaar. Of gebruik een rood fietslampje als je kind niet mag storen. Misschien heeft je kind zelf leuke ideeën hierover?
  • Maak tijd voor buitenspelen. Neem dit op in het dagschema. Dit verhoogt de concentratie om daarna weer aan de slag te gaan.

(Voor)lezen

  • Lees elke dag een verhaal/hoofdstuk/prentenboek voor.
  • Een boek geeft nieuwe knutselideeën. Maak een tekening, stripverhaal, kijkdoos, spel, enzovoort.
  • Speel het verhaal na. Bijvoorbeeld door: net te doen alsof de kamer een grot is, verkleedkleren aan te trekken, ‘dwarrelende blaadjes’ te knutselen, schaatsen met sokken op een gladde vloer.
  • Speel bibliotheekje en laat de kinderen boeken uitzoeken met een ‘namaakpasje’.
  • Stel een leeskwartiertje in: je leest zelf een boek/krant en kinderen lezen/bladeren in hun eigen boek.
  • Iedereen kiest een boek uit waarover hij of zij iets vertelt aan de rest van het gezin.
  • Bedenk spelletjes rondom een boek. Schrijf bijvoorbeeld een rijtje quizvragen op over de inhoud van een verhaal.
  • Maak lezen leuk! Maak gebruik van de thuis lees bingo van de Bieb voor de Zaanstreek.
  • Heb je zelf geen tijd om voor te lezen? Klik hier voor digitale prentenboeken via website, app of podcast.
  • Voorgelezen worden is ook leuk als je zelf al kunt lezen. Het is een moment van aandacht geven aan elkaar.
  • Vraag opa of oma om te blijven voorlezen. Dit kan via skype, facetime of door een filmpje te sturen. Dit is leuk voor je kind én opa of oma.

Taal

  • Maak samen een kijkdoos van een oude schoenendoos. Laat een kind hierover vertellen.
  • Is de thuistaal een andere taal dan het Nederlands? Laat je kind deze periode wel in contact komen met het Nederlands. Bijvoorbeeld door online voorleesboeken of kijk Het Zandkasteel of Sesamstraat. Spreek zelf geen Nederlands als je de taal niet goed spreekt.
  • Doe taalspelletjes die je zelf als kind ook altijd deed. Bijvoorbeeld: “Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet” (dit kan ook op een briefje voor in de pot); “Ik ga op reis en ik neem mee…”(of “Ik ga naar de dierentuin en zie…” of “Ik ga naar de winkel en ik koop…”).
  • Bedenk raadseltjes. Bijvoorbeeld: Het is vierkant. Eerst was het droog en later is het nat. Je gebruikt het in de keuken (vaatdoek/theedoek).
  • Vindt je kind het lastig om een boek te lezen? Verstop briefjes met korte stukjes tekst in bijvoorbeeld een schoen of jaszak. Zo lezen ze toch weer even.
  • Laat je kind helpen met tafeldekken. Geef je kind opdrachtjes: “Pak 3 vorken en leg ze links naast het bord”.
  • Schrijf een brief of maak een tekening voor de juf of meester of… en stuur dit op. Misschien krijgt je kind wel post terug, hoe leuk is dat?
  • Leer je kind nieuwe woorden. Bijvoorbeeld laat je kind alle ‘cirkels’ in huis zoeken.
  • Als je eten of drinken maakt, laat je kind helpen. Bijvoorbeeld bij sinaasappels persen, chocolademelk maken, een ei bakken. Praat over welke spullen je nodig hebt. Welke vorm heeft het? Wat voor kleur heeft het?
  • Voor oudere kinderen: Interview opa, oma, tante of oom via de telefoon. Schrijf daar later een verhaaltje over.
  • Maak een woordslinger: de laatste letter is de eerste letter van het volgende woord. Bijvoorbeeld met dieren: aap – poes – schildpad – duif – vlinder…
  • Laat je kind een dagboek bijhouden, net als een vakantieboek. Dit kan ook met knip- en plakwerk erbij. Dat kan later ook leuk zijn voor de juf of meester, vriendjes of opa en oma.

Leren

  • Maak gebruik van wat je van school krijgt.
  • Zorg dat het ontspannen blijft.
  • Vindt je kind het lastig om schoolwerk te doen? Maak een beloningskaart. Laat je kind een sticker plakken, krul zetten, vakje inkleuren wanneer het lekker bezig is geweest.
  • Leren hoeft niet altijd aan tafel. De rekentafels kun je bijvoorbeeld ook op de trap oefenen, boekjes lezen kan liggend op de grond.